Rubriek-Libellen
Es flattert um die Quelle
Die wechselnde Libelle,
Mich freut sie lange schon;
Bald dunkel und bald helle,
Wie der Chamäleon,
Bald rot, bald blau,
Bald blau, bald grün;
O daß ich in der Nähe
Doch ihre Farben sähe!
Stacks Image 1029
Sie schwirrt und schwebet, rastet nie!
Doch still, sie setzt sich an die Weiden.
Da hab ich sie! Da hab ich sie!
Und nun betracht ich sie genau
Und seh ein traurig dunkles Blau -
 
So geht es dir, Zergliedrer deiner Freuden!

(Johann Wolfgang von Goethe)
Libel of libelle?

Wanneer iemand op een Nederlandstalig forum een foto van een
libelle post, is er altijd wel een slimmerik die fijntjes opmerkt dat Libelle een damesblad is. Dat klopt. Zowel de Vlaamse als de Nederlandse editie van het tijdschrift zijn vandaag eigendom van Sanoma, het Finse concern dat naar mijn smaak een wat al te dikke vinger in de mediapap der Lage Landen heeft. Zoals de meeste van mijn seksegenoten associeer ik Libelle vooral met kapperszaken, wachtkamers van huis- en tandartsen en door adverteerders ingefluisterde reportages met de relevantie van een horoscoop en de nieuwswaarde van een recordpoging paalzitten. Een bespottelijk vooroordeel, uiteraard, maar ik prijs me niettemin gelukkig dat mijn echtgenote Libelle noch enig ander vrouwenmagazine leest. Als tegenprestatie koop ik geen blootblaadjes of tijdschriften over auto's, motoren, voetbal, modeltreintjes, doe-het-zelven, computerspelletjes en andere zogenaamd typisch mannelijke aangelegenheden die mij even mateloos boeien als de ontboezemingen van één of ander efemeer mediafenomeentje of het achterwerk van Pippa. Het zal menig wijsneus verbazen, maar volgens het Groene boekje en Van Dale is een libelle net zo goed een insect uit de orde van de libellen (Odonata) als een libel. Beide schrijfwijzen zijn correct. Meer nog: terwijl een libelle alleen maar een libel kan zijn, is een
Stacks Image 1030

Cover van de eerste Libelle uit 1934. Het eerste artikel, De Prins der Dameskappers, gaat over de Parijse societykapper Antoine, uitvinder van de boblijn.

libel soms geen libelle maar een pamflet of een soort waterpas. Ofschoon de vorm libelle al in 1916 in het Woordenboek der Nederlandsche Taal opduikt, wordt die variant pas sinds 2005 als officiële spelling erkend. Dat Nederlandstalige odonatologen de voorkeur geven aan het minder eenduidige libel komt dus niet doordat ze huiveren voor elke associatie met het populaire damesblad. Ze passen gewoon consequent de officiële spelling van vóór 2005 toe. Dan achten de scherpslijpers van de Nederlandse Taalunie het in al hun wijsheid plots nodig om het woord libelle een officiële status te verlenen. De variant wint blijkbaar veld, een evolutie die wellicht minstens gedeeltelijk te wijten is aan de renommee van het merk Libelle. Volgens de geijkte historiografie heeft de naam van het tijdschrift initieel echter absoluut niets met libellen te maken. Hooguit een halve waarheid en naar mijn mening zelfs een hele leugen.


Stacks Image 1031
In hoexkens ende boexkens

"In omnibus requiem quaesivi, sed non inveni, nisi in hoexkens ende boexkens."
(Overal zocht ik rust, maar nergens heb ik die gevonden. Behalve in hoekjes en boekjes.)

Over de naam van een nieuw weekblad wordt tegenwoordig vaak langer nagedacht dan over de inhoud ervan. Ik neem aan dat de oorspronkelijke uitgever van
Libelle destijds ook niet over één nacht ijs is gegaan. Maar anders dan vandaag kwam de naam ongetwijfeld niet pas na een reeks peperdure, door een team van communicatie- en marketingspecialisten geleide brainstormsessies uit de bus. Volgens de meeste bronnen is Libelle gewoon afgeleid van libellus, het Latijnse verkleinwoord van liber of boek. Andere bronnen gaan een stapje verder en beweren dat de naam een vondst is van Jo of Johan Douwes, mede-oprichter en eerste hoofdredacteur van het blad. Hij zou de naam hebben afgeleid van de Latijnse uitdrukking in angello cum libello of "in een hoekje met een boekje". Aan de basis van dat gezegde ligt volgens velen dan weer de vreemde mix van Kerklatijn en Middelnederlands hierboven. Een vroege biograaf schrijft de uitspraak toe aan Thomas a Kempis, de 15de-eeuwse auteur en mysticus die ruim 60 van zijn 91 jaren in een klooster op de
Agnietenberg in Zwolle slijt. Van de uitspraak zijn verschillende volledig Latijnse versies in omloop. Eén daarvan – In omnibus requiem quaesivi, et nusquam inveni nisi in angulo cum libro – sluit het voorwoord van mijn Engelse vertaling van Umberto Eco's meesterwerk Il nome della rosa af. Heeft de naam van het blad inderdaad alles te maken met dit citaat uit De naam van de roos en helemaal niets met insecten uit de orde van de libellen? Ogenschijnlijk wel. Maar schijn bedriegt.


Libelle en het beest

In 1934, het jaar waarin de eerste
Libelle verschijnt, lanceert de Nederlandse uitgeverij Bosch & Keuning de zogenaamde Libellenreeks. Het gaat om een serie veelal stichtende boekjes over de meest uiteenlopende onderwerpen. De relatief goedkope publicaties vinden gretig aftrek en
Stacks Image 9

Op de achterkant van elk nummer staan het logo én het gezegde waarop zowel de naam van de reeks als het logo zijn gebaseerd.

Stacks Image 7

Cover van de eerste (boven) en vijfde druk (onder) van het eerste nummer uit de Libellenreeks. Let op het logo en de evolutie ervan.

tussen 1934 en 1940 verschijnen bijna vierhonderd nummers. Over de oorsprong van de naam van de reeks bestaat niet de minste twijfel. Vanaf het eerste nummer, een boekje over de Amerikaanse protestantse zendeling Eli Stanley Jones, prijkt op de achterkant immers de slogan Met een boekske in een hoekske, later aangevuld met de Latijnse variant Cum libello in angello. Maar wat vooral opvalt is het logo van de reeks: een libel, jawel. Het wat onbeholpen maar redelijk natuurgetrouw getekend exemplaar van de eerste drukken van de eerste nummers wordt al snel vervangen door een meer gestileerd model met hoekige vleugels en veel te lange voelsprieten. Van
Stacks Image 30

De libellenvrouwen van René Lalique getuigen van vakmanschap maar kunnen mij niet bekoren. Het exemplaar hierboven mist een paar vleugels en twee paar poten. Het hoofd en de tieten wijzen de verkeerde richting uit. Maar het is vooral de symboliek die me tegenstaat.

januari 1935 t.e.m. september 1937 geeft Bosch & Keuning ook De libel – maandschrift voor deze tijd uit. Op de cover en onderaan nagenoeg elke pagina van het tijdschrift prijkt opnieuw het logo van de Libellenreeks. Ofschoon de slogan van de reeks niets met libellen te maken heeft, volstaat de klank van het Latijnse libello blijkbaar om meteen de link met de insecten in kwestie te leggen. Het lijkt me dan ook uitgesloten dat die link de oprichters van het weekblad Libelle volledig ontgaat. Waaraan doet de naam van het blad hun lezeressen denken? Gezien de doelgroep en de tijdgeest zal dat toch eerder een libel dan het Latijnse verkleinwoord van liber zijn. Dat de naam enigszins Frans klinkt en het tweede deel ervan Frans voor schone of schoonheid is, is uiteraard mooi meegenomen. Ça fait chic, non? Bovendien is de connotatie met insecten uit de orde van de libellen destijds ongetwijfeld ook gewenst. De art deco mag dan al op zijn laatste benen lopen, in de sierkunst van het interbellum zijn gestileerde libellen nog altijd een geliefd motief. Ze staan symbool voor bekoorlijkheid, elegantie, mysterie, wispelturigheid, pronkzucht, impulsiviteit, breekbaarheid, frivoliteit en andere al dan niet positieve eigenschappen die ook vandaag nog vooral met vrouwen worden geassocieerd. De befaamde Franse edelsmid en glaskunstenaar René Lalique legt het er
vingerdik op en voorziet sommige van zijn fameuze libellen met een vrouwenhoofd, borsten en klauwen. Het resultaat is een naar mijn smaak eerder kitscherige kruising tussen een lieftallig elfje en een bloeddorstige roofvogel. Conclusie? Het is een fabeltje dat de naam van het damesblad Libelle oorspronkelijk helemaal niets met libellen te maken heeft. Misschien halen de stichters, net zoals die van de Libellenreeks, de mosterd inderdaad bij Thomas a Kempis. Maar het logo van de reeks bewijst dat de link met de insecten ook in 1934 voor de hand ligt én als positief wordt ervaren. Libellen zijn hot.
Echte libel of juffer?

Volgens het
Tree of Life Web Project omvat de orde van de libellen of Odonata wereldwijd iets meer dan 600 geslachten. Samen zijn die goed voor om en bij de 6.500 soorten. In België en Nederland komt vandaag slechts een 60-tal soorten voor: circa 40 echte libellen (Anisoptera of ongelijkvleugeligen) en een 20-tal juffers (Zygoptera of gelijkvleugeligen). Echte libellen zijn behoorlijk stevig gebouwde stuntvliegers. Hun grote ogen staan erg dicht bijeen of raken elkaar bovenaan. In rust houden ze beide vleugelparen nagenoeg horizontaal of schuin naar beneden gespreid. Hun voorvleugels hebben een smallere basis dan hun achtervleugels. Juffers zijn veel minder goede vliegers. Hun dunne achterlijf heeft de vorm van een rietje en hun bolvormige ogen staan
Stacks Image 22

Deze viervlek illustreert de meest opvallende kenmerken van een echte libel.

ver uiteen. In rust houden ze hun vleugels, die alle vier dezelfde vorm hebben, altijd gesloten. De spreekwoordelijke uitzondering die de regel bevestigt, zijn de pantserjuffers van het geslacht Lestes. Hun slanke achterlijf, hun twee nagenoeg identieke vleugelparen en hun knikkerogen sluiten niettemin elke verwarring uit.
Stacks Image 62

Zoals nagenoeg alle juffers houdt ook het overbekende lantaarntje zijn vleugels in rust gesloten.



Help! Een paardenbijter!


Ik heb nog nooit iemand ontmoet die op de vlucht slaat voor een juffer. Maar talloze mensen zijn wel als de dood voor echte libellen. Die kunnen immers hard bijten of steken. Denken ze. Mijn schoondochter houdt bij hoog en laag vol dat ze als kind door een echte libel werd aangevallen. De in werkelijkheid volstrekt onschuldige beestjes jagen haar nog altijd schrik aan. Ik trek haar verhaal niet in twijfel. Zo af en toe maak ik het ook wel eens mee dat een glazenmaker of keizerlibel me lijkt te achtervolgen. Misschien komt dat door de kleren die ik op zo'n moment draag. Veel libellen worden immers aangetrokken door donkere, glanzende oppervlaktes als
zonnepanelen of zelfs olieplassen. Vrouwtjes die eitjes afzetten op spiegelramen of blinkende auto's zijn schering en inslag. Aeshna mixta, een inheemse glazenmaker, heet in het Nederlands officieel paardenbijter. Maar in het dialect van mijn geboortedorp worden destijds alle soorten echte libellen peirdebutters genoemd. IJzingwekkend! Alle kinderen van het dorp en de overgrote meerderheid van de
volwassenen zijn er bang voor. Op mijn tiende lees ik in een jongens-en-wetenschapachtig boekje – meisjes horen in 1970 nog uitsluitend belangstelling voor poppen, handwerk en touwtjespringen te hebben – dat libellen bijten noch steken. Ik kan het amper geloven maar besluit om de proef op de som te nemen. Ik vang een kanjer van een peirdebutter en vis die vervolgens met van spanning en angst bevende vingers levend en wel bij zijn vleugels uit mijn vlindernet. Het beest zwaait wild met zijn achterlijf, maar zijn door Jan en alleman zo gevreesde tangvormige aanhangselen maken me niet bang. Ik weet nu immers dat het gewoon de aanhangselen van een mannetje zijn. Als ik de libel op de rug van mijn andere hand zet en zijn vleugels loslaat, blijft hij wel een minuut lang rustig zitten. Dan kiest hij plots het luchtruim en flitst weg tussen de sparren en de bremstruiken rond de poel. "Wedden voor een cola dat ik met mijn blote handen een paardenbijter durf vast te houden?" Mijn vriendjes zijn ervan overtuigd dat ik bluf, maar hebben er niettemin vijf frank voor over om me helse pijnen te zien lijden. De sukkels!


Geslachten en soorten


"Bedwing uwen al te grooten weetlust, want daarin is veel afleiding en bedrog."
(Thomas a Kempis)

Kennis is macht. Macht corrumpeert. Ergo: kennis maakt corrupt. Dat ik mijn vriendjes op een slinkse manier enkele oude Belgische franken aftroggel, had Thomas a Kempis vast gesterkt in zijn overtuiging dat kennis en wetenschap de ziel eerder bezoedelen en onteren dan louteren en verheffen. De 15de-eeuwse augustijn verkiest dan ook de eenvoudige landman die van toeten noch blazen weet boven de hooggeleerde boekenwurm of ijdele scholasticus die zich "vermoeit met het onderzoek naar geslachten en soorten!". Voor alle duidelijkheid: niet de geslachten en soorten libellen, maar de geslachten en soorten gevleugelde bewoners van het hemelrijk. Net zoals de middeleeuwse taxonomen van de zeven hemelen het maar niet eens raken over het aantal soorten engelen en hun hiërarchie, verschillen hedendaagse taxonomen behoorlijk van mening over de indeling van de orde van de libellen.
Stacks Image 80

Sommige pantserjuffers, zoals deze houtpantserjuffer, houden hun vleugels in rust min of meer gespreid.

Ze onderscheiden andere ondersoorten, soorten, geslachten of zelfs hele families en maken er zodoende een zootje van. Hopelijk stelt DNA-onderzoek de komende jaren orde op zaken, want de chaos valt inmiddels niet meer te overzien. De hoofdzakelijk uiterlijke kenmerken waarop de uiteenlopende taxonomieën van echte libellen en juffers momenteel zijn gebaseerd, bieden nu eenmaal weinig houvast. Wellicht stemt dan ook niet één van de gangbare taxonomieën volledig overeen met de reële evolutie en verwantschap van alle wetenschappelijk beschreven soorten. Zoals steeds maak ik op deze site gebruik van de grotendeels identieke taxonomische bomen van de Belgische soortenlijst en het Nederlands soortenregister. Als dilettant kan ik de kwaliteit en de actualiteit ervan niet beoordelen, maar dat geldt ook voor alle andere taxonomieën. Niettemin één opmerking: beide taxonomische bomen onderscheiden dezelfde negen families van inheemse soorten, maar maken geen onderscheid tussen echte libellen en juffers. De orde van de Odonata bestaat volgens beide uit libellen en waterjuffers. Maar aangezien de waterjuffers (Coenagrionidae) een aparte familie vormen, zouden alle andere juffers (beekjuffers, pantserjuffers en breedscheenjuffers) logischerwijs libellen moeten zijn. Dat zijn ze natuurlijk ook, maar ze zijn overduidelijk veel nauwer verwant met de familie van de waterjuffers dan met die van de glazenmakers, rombouten, korenbouten en andere echte libellen.
Stacks Image 43

Vier exemplaren van de soort Ischnura elegans (lantaarntje). Bovenaan een mannetje. Daaronder drie vormen van de uiterst variabele vrouwtjes: forma violacea, forma rufescens en forma infuscans-obsoleta.



Pro forma


Het boekje waarin ik als prille tiener lees dat libellen bijten noch steken, beschrijft en illustreert ook een eenvoudige methode om deze dieren te prepareren. Ik kan me de plaatjes nog herinneren. Er komt ether aan te pas, een handvol spelden en een strootje om de uit het achterlijf verwijderde ingewanden te vervangen. Spannend! Ik ga meteen aan de slag, maar de resultaten zetten al snel een domper op mijn enthousiasme. Eenmaal opgezet verliezen mijn juweeltjes in een mum van tijd al hun glans. Eigen schuld, dikke bult,
Zergliedrer deiner Freuden! Goethe, de Duitse literator en natuurwetenschapper, weet het al: je kunt schoonheid en zowat alles wat je vreugde of genot verschaft helemaal kapot analyseren. Toch ben ik het niet eens met de moraal van zijn gedicht dat deze rubriek inluidt, een wat naïef zedenlesje dat minstens ten dele en wellicht zelfs hoofdzakelijk is bedoeld als kritiek op Newtons kleurenleer. Ik put immers ook voldoening, ontroering, troost en zelfs puur genot uit de kennis die mijn soortgenoten door de eeuwen heen hebben vergaard en nog altijd vergaren door zorgvuldig te observeren, te verzamelen, te ontleden en te speuren naar overeenkomsten, verschillen en al dan niet betekenisvolle patronen. Onze drang om min of meer orde te scheppen in de chaos die ons omringt, brengt ons geregeld op een dwaalspoor. Denk maar aan de volstrekt imaginaire wetmatigheden van de astrologie of de vreemde, op louter toevallige overeenkomsten gebaseerde kronkels van de signatuurleer. Maar diezelfde, blijkbaar onstuitbare drang ligt ook aan de basis van wat we vandaag 'wetenschap' noemen. Ondanks zijn kritiek op Newtons analytische benadering van het licht en op de ijver waarmee zijn tijdgenoten planten en dieren verzamelen, prepareren en ontleden, hanteert Goethe zelf welhaast net zo bedreven het scalpel als de pen. Op zijn 35ste ontdekt hij in de menselijke bovenkaak een tot dan toe alleen van andere
dieren bekend bot – het tussenkaakbeen of os intermaxillare – en omstreeks 1790 lanceert hij de term 'morfologie' of vormleer. Tot diep in de 20ste eeuw vormen morfologische en anatomische overeenkomsten en/of verschillen veruit de belangrijkste criteria voor de indeling van het leven. Morfologie en anatomie tonen aan dat walvissen geen vissen maar zoogdieren zijn. De moleculaire biologie laat nu toe om de oude indelingen te verfijnen en te corrigeren. DNA-onderzoek bewijst dat nijlpaarden nauwer verwant zijn aan walvissen dan aan om het even welk ander hedendaags zoogdier, inclusief andere dikhuiden.
Maar voorlopig zijn de meeste taxonomische bomen nog volledig of toch grotendeels op morfologische en anatomische gegevens gebaseerd. Dat geldt ook voor de orde van de libellen. Sommige inheemse soorten herken je in één oogopslag. Andere vergen een geoefend oog. Enkele lijken soms zo goed op andere soorten dat zelfs een haarscherpe foto geen uitsluitsel geeft. Schijn bedriegt. De heidelibellen op de foto's hiernaast lijken als twee druppels water op elkaar, maar behoren niettemin tot drie verschillende soorten. Het zit 'm in de details. Een leek ziet op de foto's hierboven wellicht vier verschillende soorten juffers. Toch gaat het wel degelijk om vier exemplaren van dezelfde soort. De vrouwtjes van het lantaarntje zijn zo variabel dat odonatologen verschillende kleurvormen onderscheiden, stuk voor stuk met een indrukwekkend klinkende Latijnse naam. Belachelijk? Niet in mijn ogen. Variaties zijn méér dan een bron van verbazing. Ze liggen aan de basis van de overdonderende biodiversiteit die onze planeet kenmerkt. Ook al ben ik er zelf niet voor in de wieg gelegd, ik waardeer en bewonder de onverdroten ijver waarmee taxonomen die biodiversiteit systematisch in kaart proberen te brengen. Dat ze daarvoor al eens een beestje moeten vangen, doden en prepareren of ontleden, is onvermijdelijk. Intussen erger ik me mateloos aan overheden en andere instanties die de mond vol hebben over het behoud van de biodiversiteit, maar er weinig of niets voor voelen om het onderzoek naar die zo bewierookte biodiversiteit fatsoenlijk te financieren. Anders dan de meeste mensen denken, is het leeuwendeel van de soorten die onze planeet bevolken immers nog niet ontdekt en/of wetenschappelijk beschreven. Taxonomie is niet sexy en brengt geen geld in het laatje. Dat nogal wat veldbiologen hun veelal aan natuurhistorische musea verbonden collega's enigszins meewarig als de filatelisten of boekhouders van hun wetenschap beschouwen, helpt natuurlijk ook niet. Hun held is de jonge Darwin die aan boord van de Beagle een wereldreis maakt en diep onder de indruk raakt van de overweldigende diversiteit van het leven op de verschillende continenten en eilanden. Mijn held is de nog jongere Darwin die kevers verzamelt en de al wat oudere Darwin die acht jaar lang nauwgezet zeepokken en
Stacks Image 5133

Van boven naar onder: mannetje van bloedrode, bruinrode en steenrode heidelibel. Deze foto's laten niet toe om ze te determineren.

andere rankpootkreeften bestudeert, prepareert, ontleedt en systematisch catalogiseert. Beide helden hadden de theorie van de evolutie door natuurlijke selectie kunnen bedenken en uitwerken. Maar het is de combinatie van de twee in één en dezelfde persoon, de veldbioloog én de taxonoom, die van Darwin de superheld van de biologie maakt.
Stacks Image 5226

In profiel is het secundaire geslachtsorgaan van het mannetje (boven) duidelijk te zien. Het ontbreekt bij het vrouwtje (onder).

Mannetje of vrouwtje?

Over de identiteit van de juffers hiernaast bestaat niet de minste twijfel. Het gaat om twee volwassen azuurwaterjuffers, één van de meest algemene libellen van de Lage Landen. De soort dankt zijn naam aan de weinig variabele, meestal hoofdzakelijk blauwe mannetjes. De vrouwtjes zijn veel minder uniform en daardoor vaak moeilijker te determineren. Exemplaren van beide geslachten worden met name wel eens verward met mannetjes of vrouwtjes van de variabele waterjuffer. In
de tuin aan de Heuvelstraat 37 is dat uitgesloten: de variabele waterjuffer komt hier niet voor en is in de rest van Vlaanderen en België zeldzaam tot uiterst zeldzaam en bedreigd.


Mannetje: secundair geslachtsorgaan

De mannetjes van alle juffers en alle echte libellen hebben een doorgaans goed zichtbaar secundair geslachtsorgaan. Het bevindt zich vlak achter het borststuk, onderaan het tweede segment van het achterlijf. Dit merkwaardige orgaan, dat bij geen enkel ander insect voorkomt, wordt gebruikt voor de opslag en de overdracht van een pakketje sperma uit het primaire geslachtsorgaan aan de achterlijfspunt. Het verklaart het voor libellen zo kenmerkende paringswiel of -rad, ook wel
copula genoemd. Een lieflijk tafereel? In elk geval kunnen
foto's van de min of meer hartvormige lussen doorgaans op heel wat bijval rekenen. Maar hoe ontstaat zo'n paringswiel en wat gebeurt er precies? Het antwoord op die vraag is behoorlijk ontnuchterend en laat weinig ruimte voor romantische interpretaties. Eerst grijpt het mannetje het vrouwtje in volle vlucht met de aanhangselen van zijn
achterlijf stevig bij het halsschild vast. Het resultaat is een zogenaamde tandem. Het paringswiel ontstaat wanneer het vrouwtje de punt van haar achterlijf naar het secundaire geslachtsorgaan van het mannetje brengt om zijn daar eerder opgeslagen spermapakketje op te nemen. De aanhangselen van de mannetjes van een bepaalde soort juffer passen precies op het halsschild van vrouwtjes van dezelfde soort. Die van de mannetjes van echte libellen haken zich vast achter de kop van vrouwtjes van dezelfde soort. Op ieder potje past een dekseltje, zodat interspecifieke paringen nagenoeg uitgesloten zijn. Niettemin worden in het veld heel af en
Stacks Image 5269
toe tandems en paringswielen van twee verschillende soorten libellen waargenomen. Meestal gaat het dan om uiterst nauw verwante soorten, zoals de bruine en noordse winterjuffer, maar ook paringen van libellen uit verschillende geslachten zijn geobserveerd en gedocumenteerd. Op sommige potjes past blijkbaar meer dan één
Stacks Image 5182

Met haar achterlijfspunt neemt het vrouwtje sperma op uit het secundaire geslachtsorgaan van het mannetje (boven). Met de aanhangselen van zijn achterlijfspunt houdt hij haar in bedwang (onder).

dekseltje. Of eventuele kruisingen ook levensvatbaar zijn, is bij mijn weten niet bekend. Het zou me echter niet verbazen, zeker niet bij soorten die nauwelijks van elkaar te onderscheiden zijn en misschien eerder als ondersoorten dan als echte soorten moeten worden beschouwd.


Bezitterig heerschap


Na de bevruchting wordt het paringswiel verbroken en zet het vrouwtje haar eitjes af. Bij heel wat soorten, zoals de azuurwaterjuffer, blijft het mannetje haar intussen bij het halsschild vasthouden en vliegt het paar in tandem van hot naar her. Daar heeft meneer een goede reden voor. Zijn secundaire geslachtsorgaan is uitgerust met een borstelvormig orgaantje waarmee hij het sperma van een eventuele voorganger kan verwijderen. Opgeruimd staat netjes. Door zijn partner pas los te laten nadat ze haar eitjes heeft afgezet, voorkomt hij dat een rivaal op zijn beurt zijn o zo kostbare zaadcellen wegveegt. Mannetjes van andere soorten houden na de paring vaak een oogje in het zeil en verjagen alle rivalen die zich in de buurt van een door hen bevrucht vrouwtje wagen. Soms gaat het er zo heftig aan toe dat er slachtoffers vallen.


Kieskeurige dame

De meeste dieren doen niet aan romantiek. Daar hebben ze geen tijd voor. Volwassen libellen leven doorgaans hooguit enkele weken en hebben wel wat beters te doen dan elkaar uitvoerig het hof te maken. Ook al doet hun hartvormige paringswiel zelfs sommige ijskonijnen smelten, objectief beschouwd lijkt de paring in eerste instantie meer op een brutale verkrachting dan een passionele omhelzing. Toch zijn de vrouwtjes allesbehalve volstrekt weerloze slachtoffers van de mannelijke voortplantingsdrift. Ze zijn niet alleen in staat om een tandem of copula te verbreken, maar kunnen ook
wat sperma van een vorige partner achterhouden. Wellicht is dus ook bij libellen sprake van een zekere mate van seksuele selectie door kieskeurige vrouwtjes.


Vrouwtje: legapparaat of legschede


Alle juffers zetten hun eitjes af in planten, al dan niet in tandem en meestal vlak onder of iets boven de waterspiegel. Dat doen ze met het legapparaat aan hun achterlijfspunt. Ook de vrouwtjes van sommige echte libellen beschikken over zo'n apparaat. Ze boren hun eitjes in planten, zoals de grote keizerlibel hieronder, of steken ze in de bodem. Andere echte libellen strooien hun eitjes gewoon boven het water uit of zetten ze net onder de waterspiegel of op de oever af. Daarbij dippen ze hun achterlijfspunt in volle vlucht en doorgaans ook in tandem een fractie van een seconde in het water of de modder. Vrouwtjes van deze soorten hebben geen legapparaat, maar een legschede. Op de foto van de bruinrode heidelibel hiernaast is die goed te zien. De vorm en de zichtbaarheid van het doornachtige uitsteeksel verschillen van soort tot soort. Libellenvrouwtjes zetten enkele honderden tot duizenden piepkleine ronde, ovale of langgerekte eitjes af die pas enkele weken of maanden later uitkomen. Alles hangt af van de soort en de omstandigheden, zoals de temperatuur en de kwaliteit van het water. Hooguit enkele dagen na de voortplanting, in menig opzicht een uitputtingsslag, leggen de meeste juffers het loodje. Echte libellen blijven soms nog een paar weken vliegen, maar takelen snel af. Hun missie is volbracht.
Stacks Image 5254

Copula van bruinrode heidelibel op het terras bij de vijver (boven). De legschede van het vrouwtje is duidelijk te zien (onder). De vorm ervan helpt om deze soort te determineren

Stacks Image 5262
Stacks Image 5424

Nimf van een heidelibel. De nimfen van echte libellen hebben inwendige, rectale kieuwen. Ze pompen water in hun achterlijf dat ze vervolgens naar buiten persen. Die straalaandrijving laat ze toe om snel vooruit te schieten.

Larve of nimf?

Libellen zijn hemimetabole insecten, net zoals wantsen en sprinkhanen. Anders dan vliegen, vlinders,
kevers, vliesvleugeligen en andere holometabole insecten kennen ze geen popstadium. Ze ondergaan geen volkomen gedaanteverwisseling, maar een hele reeks gedeeltelijke gedaanteverwisselingen. Na elke gedaanteverwisseling lijken ze weer net iets meer op een volwassen exemplaar. Voor de laatste, in elk opzicht meest spectaculaire gedaanteverwisseling verlaten ze het water. Dat doen ze meestal door op het blad of de stengel van een waterplant te klimmen. In de meeste handboeken en op de meeste websites over libellen worden ze larven genoemd. Daar is niets mis mee. Ik geef er niettemin de voorkeur aan om de term 'larve' te reserveren voor onvolwassen, nog niet verpopte holometabole insecten. Exemplaren van hemimetabole insecten die nog minstens één gedeeltelijke gedaanteverwisseling te wachten staat, noem ik consequent 'nimfen'. Uit het eitje van een libel komt na enkele weken of maanden een wormachtig beestje of pronimf, in feite het laatste embryonale stadium. DNA-
onderzoek wijst uit dat holometabole insecten uit hemimetabole insecten evolueerden. Het is goed mogelijk dat hun larven een hormonaal gestuurde verlenging van het pronimfenstadium van een hemimetabole voorouder zijn. De verpopping zou dan een tot één grote gedaanteverwisseling verkorte opeenvolging van de verschillende
nimfenstadia kunnen zijn. Pronimfen van libellen die hun eitjes boven het water of op de oever afzetten, spartelen zich een weg naar het water. Na de eerste vervelling, afhankelijk van de soort meestal binnen enkele seconden of minuten, is het dier een echte nimf die zelfstandig beweegt, jaagt en eet.


Moordend mombakkes

Bijna alle libellen brengen veruit het grootste deel van hun leven als nimf in het water door. Europa telt slechts twee uitzonderingen: de
bruine en de noordse winterjuffer, meteen ook de enige Europese soorten die als imago overwinteren. Hun nimfen sluipen al na minder dan drie maanden uit, waarna ze het nog wel tien maanden kunnen uitzingen. De nimfen van de meeste libellen brengen bijna één tot
Stacks Image 5467

Nimf van een waterjuffer. De nimfen van alle juffers hebben aan het achterlijf drie kieuwbladen of caudale lamellen. Ze worden gebruikt voor de ademhaling en de voortbeweging.

twee jaar in het water door. Sommige soorten doen er zelfs haast vijf jaar over om volwassen te worden. Ze vervellen negen tot zeventien keer en zijn geduchte rovers. Op het menu staat nagenoeg alles wat beweegt en kleiner is, van muggenlarven of visjes tot dikkopjes en andere libellennimfen, al dan niet van de eigen soort. Naar
Stacks Image 5497

Exuvia van een grote keizerlibel. Een deel van het vangmasker of mentum is hier goed te zien.

verluidt zijn zelfs libellen die eitjes afzetten niet veilig voor deze gehaaide veelvraten. De onderlip van alle libellennimfen groeit uit tot een bizar, afgeplat en uniek orgaan: het uitklapbare mentum of vangmasker. Zodra een prooi zich in de buurt waagt, klapt dit vangmasker bliksemsnel uit en grijpen de twee beweegbare haken of tanden aan de voorkant ervan het nietsvermoedende beestje stevig vast. Het vangmasker klapt vervolgens weer dicht en de prooi wordt meteen verorberd. Klinkt wreed, maar het leeuwendeel van de nimfen
Stacks Image 5499

Nimf van een heidelibel. Het prementum, een onderdeel van het vangmasker, bedekt een groot deel van het gezicht.

eindigt uiteindelijk zelf in de maag van een waterkever, een vis, een amfibie, een watervogel of een andere libellennimf. Geen wonder dus dat ze doorgaans een verborgen leven leiden, goed verscholen tussen de waterplanten of in de modderlaag op de bodem. Je krijgt de nimfen zelden te zien, ook niet in helder water. En de meest riskante fase van hun leven hebben ze dan nog voor de boeg.
Uitgeslopen!

Voor de laatste vervelling, de zogenaamde uitsluiping, verlaat de nimf het water. Beschrijven wat er dan precies gebeurt, laat ik wijselijk over aan specialisten. Het fotoreeksje hiernaast illustreert de uitsluiping van een blauwe glazenmaker en spreekt boekdelen. Uitsluipen doen libellen doorgaans bij het krieken van de dag of zelfs 's nachts. Om dit spektakel te bewonderen, moet je er dus meestal heel vroeg bij zijn. Je neemt er ook best de tijd voor, want het kan wel even duren. Alles hangt af van de soort en de omstandigheden, zoals het weer, de temperatuur en de luchtvochtigheid. Ik maak deze foto's op 3 juli 2011. De eerste om kwart over acht; de laatste bijna drie uur later.


Hachelijke onderneming

Tijdens het uitsluipen zijn libellen uiterst kwetsbaar en volstrekt weerloos. Veel vogels maken van de gelegenheid gebruik om een juffertje of echte libel mee te pikken. Ook kikkers, mieren en zelfs vossen zijn er niet vies van. In de tuin aan de Heuvelstraat 37 is Moke, één van onze asielkatten, gespecialiseerd in het uit de lucht plukken van pas uitgeslopen exemplaren. Juffertjes eet hij meteen op, maar echte libellen brengt hij eerst binnen, trots als een pauw met een opgeblazen ego. Meestal zijn de arme beestjes dan zo toegetakeld dat ze niet meer te redden vallen. Gelukkig zijn de meeste libellen al vliegvlug vóór Moke aan zijn ochtendpatrouille begint. Maar ook uitsluipers die niet ten prooi vallen aan een vroege vogel, een kikker of een insectivore huiskat redden het lang niet altijd. Volgroeide nimfen lijken in staat te zijn om het uitsluipen uit te stellen tot de omstandigheden nagenoeg ideaal zijn. Een zomerse stortbui, al dan niet met hevige rukwinden of hagel, kan niettemin nog altijd roet in het eten gooien. Bovendien is de laatste metamorfose zo radicaal dat het zelfs in de beste omstandigheden toch nog vaak fout loopt. Sommige libellen slagen er bijvoorbeeld niet in om zich volledig uit de
Stacks Image 5411

Uitsluiping van een mannelijke blauwe glazenmaker. Het imago is nog niet uitgekleurd. In het jargon heet zo'n kakelvers imago een teneral (mv. tenerals).

nimfenhuid te wringen. Andere hebben misvormde vleugels of een ernstig beschadigd achterlijf. Ze zijn allemaal ten dode opgeschreven. De verhouding tussen het aantal succesvolle en het aantal mislukte uitsluipingen verschilt van jaar tot jaar en van streek tot streek, wat erop wijst dat de weersomstandigheden wellicht doorslaggevend zijn.
Stacks Image 5435

Teneral van blauwe glazenmaker na een mislukte uitsluiping. Zowel de vleugels als het achterlijf zijn misvormd.

Hoe dan ook: urenlang het uitsluipen van een libel observeren, tot die met nog glanzende vleugels voor het eerst het luchtruim kiest, is en blijft voor mij een opwindend tijdverdrijf dat ik voor geen geld ter wereld wil missen. Jachtluipaarden die impala's verschalken? Pandaberen die baantjeglijden? Keizerspinguïns die en file indienne over het ijs naar hun broedkolonie trekken? Drievingerige luiaards die in de kruinen van het Amazonewoud hun uiterste best doen om van de koala's in de Australische eucalyptusbossen energieke zenuwpezen te maken? Het is allemaal fantastisch, maar ik hoef het niet zo nodig met eigen ogen te zien. De wilde dieren in de tuin zorgen dag in dag uit voor spektakel en blijven me verrassen. Ik kan er maar niet genoeg van krijgen. Een kudde gnoes of een troep olifanten die over de Afrikaanse savanne trekt? Behoorlijk indrukwekkend, daar twijfel ik niet aan. Maar als ik mag kiezen, kies ik toch voor de fratsen van het klein grut dat mijn tuin bevolkt en me telkens weer trakteert op de meest fascinerende scènes. Dat ik een hekel heb aan verre reizen en liever blode dan dode Jan ben, speelt natuurlijk ook mee. Ik heb, als puntje bij paaltje komt, de zin voor avontuur van een zomereik.


En de winnaar is…

Met uitzondering van de houtpantserjuffer planten alle libellensoorten die ik tot nu toe in de tuin heb waargenomen er zich ook in voort. Ze worden aangetrokken door de vijver en zetten er hun eitjes in af. Heel af en toe krijg ik een nimf te zien, vooral bij het schoonmaken van de vijver. Van de meeste soorten kon ik intussen ook al minstens één uitsluiping observeren. En dan zijn er nog de zogenaamde exuviae, de opvallende nimfenhuidjes die na het uitsluipen achterblijven en soms nog wekenlang blijven hangen. Elk jaar opnieuw tref ik er tientallen aan, meestal op de bladeren of stengels van de vijver- en oeverplanten. Soms hangt er 's ochtends ook eentje aan een raamkozijn, een gevelbaksteen of een poot van een tuinstoel op het terras. Om die te bereiken, moeten de nimfen al snel een paar meter afleggen. Het record staat momenteel op naam van de gewone oeverlibel hiernaast. De nimf klom uit de vijver, sjokte minstens 3,6 meter over de ruwe tegels van het overdekte terras, klauterde daarna 2,7 meter hoog de gevel op en kroop vervolgens nog een twintigtal centimeter ondersteboven over het houten plafond. Een topprestatie! De foto dateert van juli 2011. Terwijl ik op een trapladder de uitsluiping volg en fotografeer, verduistert de hemel en barst een onweer met striemende regen en flink uit de kluiten gewassen hagelstenen los. Geen uitsluiper die zo'n zondvloed in de openlucht overleeft! Had deze recordhouder domweg geluk of wist het beestje op de één of andere manier dat het zich naar een goed beschut plekje moest reppen? Het lijkt onwaarschijnlijk, maar het valt me toch
Stacks Image 5388

De nimf van deze gewone oeverlibel legde meer dan 6,3 meter af om uiteindelijk het plafond van het terras te bereiken. Het imago sloop uit tijdens een hevig onweer.

op dat ik vooral bij onstabiel zomerweer exuviae op de gevel van het terras vind. Kunnen volgroeide nimfen het weer voorspellen? Zijn ze uitgerust met een soort inwendige barometer? Geen idee, maar het is zeker niet uitgesloten.
Stacks Image 5397

Pas uitgeslopen vuurjuffer met exuvia. De foto dateert van 9 april 2011.


Total make-over


De meeste libellen sluipen uit in de late lente of de zomer. Maar er zijn ook soorten waarvan de volgroeide nimfen al veel vroeger het water verlaten. In de tuin kondigen niet de boerenzwaluwen uit Afrika maar de vuurjuffers uit de vijver de lente aan. Begin april 2011 observeer ik de uitsluiping van zo'n vuurjuffer en maak ik onder meer de foto hiernaast. De overeenkomsten tussen de poten en de kop van het exuvia en die van het imago met zijn prachtige, nog niet uitgekleurde ogen zijn treffend. Maar daar houdt het ook op. Ook al is de uitsluiping de laatste gedeeltelijke gedaanteverwisseling, de metamorfose is zo ingrijpend dat ze veel weg heeft van het zich ontpoppen van een vlinder, een kever of een ander holometabool insect. Het vergt heel veel verbeelding om in het exuvia
hieronder het imago van een blauwe glazenmaker te herkennen. Maar dat kan ook moeilijk anders. Het beest verandert immers niet alleen van gedaante, maar ook van biotoop. Een volledig aan het leven in het water aangepast organisme wordt in één keer een vliegend landdier. Het is alsof een vis pardoes in een vogel verandert. Alsof een duikboot plots een vliegtuig wordt. Fantastisch, toch?
Stacks Image 5390
Stacks Image 5695

De vleugels van deze kersverse grote keizerlibel glanzen en zijn nog net niet volledig transparant.

Dertien in een dozijn

Amper een jaar na de aanleg van de vijver, in juni 2006, sluipt aan de Heuvelstraat 37 de eerste echte libel uit. Een grote keizerlibel. Ik ben dan nog niet gestart met de inventarisatie van de biodiversiteit in de tuin en heb er dan ook geen foto's van. Jammer maar helaas. Gelukkig komt de soort nog altijd zowel in de tuin als in de vijver voor. De foto hiernaast dateert van 2011. Ik red het pas uitgeslopen beestje uit de klauwen van onze kat, zet het op de wijsvinger van mijn vrouw en maak snel een paar foto's. Een andere soort die al meteen van de partij is, is de tengere grasjuffer. Sinds het regionaal uitsterven van de dwergjuffer in de vorige eeuw is dit de kleinste libel van de Lage Landen. Van de vijf juffers en de acht echte libellen die ik tot nu toe in de tuin kon fotograferen, is de tengere grasjuffer de enige
waarvan ik maar een handvol foto's heb. Dat komt doordat de soort hier intussen weer is verdwenen. Zorgwekkend? Helemaal niet, want het is de normale gang van zaken. De tengere grasjuffer is immers een echte pionier met een uitgesproken voorkeur voor nieuwe vijvers, plassen en poelen met veel open water en weinig of
geen vegetatie. De soort is vermoedelijk niet bestand tegen de concurrentie van andere, grotere juffers en zoekt daarom steeds nieuwe oorden op. Mijn enige en misschien ook wel laatste foto's van de tengere grasjuffer maak ik allemaal in juli 2010, het jaar waarin ik me voor het eerst toeleg op het fotograferen en determineren van de libellen in de tuin. Het is niet uitgesloten dat er nu af en toe nog een exemplaar langskomt, op zoek naar een geschikte voortplantingsvijver. Maar de kans dat ik zo'n zwerver dan ook spot, is bijzonder klein. Ze vallen immers niet op, zeker niet tussen de tientallen azuurwaterjuffers en lantaarntjes die de intussen dichtbegroeide vijver hebben ingepalmd. Hoe dan ook: van de dertien
Stacks Image 5706

Pas uitgeslopen vrouwtjes van de tengere grasjuffer kleuren nagenoeg helemaal oranje. Verwarring met andere soorten is hier uitgesloten.

soorten libellen die de soortengalerij nu telt, komen er vandaag nog maar twaalf met zekerheid in de tuin voor. Lang niet slecht, want nog altijd goed voor ruim 20 procent van alle Vlaamse soorten.
Stacks Image 5719

Volwassen libellen hebben geen vangmasker. Ze hebben wel scherpe kaken of mandibels. Juffers gebruiken die om prooien vast te grijpen en op te peuzelen. Echte libellen vangen hun prooien met hun poten en eten ze in volle vlucht op.



Mag het iets meer zijn?


Vóór 1990 worden in Vlaanderen 64 soorten echte libellen en juffers waargenomen die zich hier ook voortplanten. Zes daarvan zijn inmiddels regionaal uitgestorven en zeventien soorten zijn volgens de
Rode Lijst van 2005 met uitsterven bedreigd (3), bedreigd (7) of kwetsbaar (7). Tweeëndertig soorten, waaronder alle libellen in de tuin, zijn momenteel niet bedreigd. Dat betekent echter niet dat ze overal voorkomen. Veel libellen zijn immers gebonden aan een specifieke biotoop. Zo planten sommige soorten zich uitsluitend in stromend water voort, terwijl andere het alleen goed doen in vijvers en poelen die regelmatig droogvallen en daardoor weinig of geen predatoren herbergen. Ook de bodem, de kwaliteit van het water en de zuurgraad ervan spelen een rol. Van de 58 soorten Vlaamse libellen zijn er 17 die zich nooit in mijn regio vertonen. Dertien soorten komen hier wel voor, maar zijn sterk gebonden aan een biotoop dat de tuin niet te bieden heeft, zoals traag of juist snel stromend water. Een tiental soorten zou de tuin ooit met een bezoekje kunnen
vereren, maar treft er allesbehalve de meest gunstige omstandigheden voor hun voortplanting aan. Uiteindelijk komen slechts twintig soorten in aanmerking, waarvan er zich dus al dertien ook effectief in de tuin hebben vertoond. De zeven andere potentiële gasten zijn de bruine glazenmaker, de paardenbijter, de gaffelwaterjuffer, de
gewone pantserjuffer, de bruine winterjuffer en de grote en kleine roodoogjuffer. Ze zijn, uiteraard, meer dan welkom.


Bron van genot


In het achterste deel van de tuin, meer bepaald tussen de moestuin en de boomgaard, ligt nog een relatief groot stuk gazon. De komende jaren wil ik die groene woestijn hoe dan ook beetje bij beetje opwaarderen tot een bontgekleurde oase boordevol leven. Als de omstandigheden en met name de financiën het enigszins toelaten, laat ik onderzoeken of het mogelijk is om er een grote, volledig natuurlijke amfibievijver aan te leggen. Zonder folie, filter of wat dan ook. Ongetwijfeld zou de tengere grasjuffer zich hier dan weer enkele jaren echt thuis voelen. Bovendien zou zo'n vijver ook wel enkele van de zeven potentiële maar nog nooit waargenomen gasten naar de Heuvelstraat 37 kunnen lokken. Maar dat is toekomstmuziek. Intussen ben ik de koning te rijk met de terrasvijver en het dozijn libellen dat zich erin voortplant. Het genot dat die vliegende
Stacks Image 5560

Portret van een duidelijk afgeleefde steenrode heidelibel. De foto is gemaakt op 18 oktober, maar de soort is vaak nog in november in de tuin te zien.

juweeltjes me jaar in jaar uit verschaffen, is simpelweg onbetaalbaar. Van begin april tot diep in het najaar kleuren ze mijn dagen en jagen ze de muizenissen uit mijn hoofd. Ze laten me nooit onberoerd. De wetenschap dat ze nog hooguit enkele weken te leven hebben en in wezen gewoon de manier zijn waarop een libellennimf zich voortplant, doet daar niets van af. Integendeel. Thomas a Kempis en Goethe slaan de plank mis: mijn grote weetlust en analytische geest leiden me niet af en zijn allesbehalve een bron van bedrog of verdriet. De romantiek van de onwetendheid is echt niet aan mij besteed en mijn welhaast instinctmatige afkeer ervan neemt met de jaren alleen maar toe. Ik krijg er, al dan niet in angello cum libello, de kriebels van.
Stacks Image 1036
Stacks Image 1037

Bronnen en links naar meer informatie

  • Basisrapport Rode Lijst Libellen, De Vlinderstichting, 2011 (pdf).
  • Brachytron: site van de Nederlandse Vereniging voor Libellenstudie.
  • Geert De Knijf, De Rode Lijst van de libellen in Vlaanderen, Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, 2006 (pdf).
  • De Nederlandse Libellen: knap geïllustreerde determinatiesite van Goyatlah.
  • Klaas-Douwe B Dijkstra, Libellen van Europa – Veldgids met alle libellen tussen Noordpool en Sahara, Tirion Natuur, 2008.
  • Umberto Eco, The Name of the Rose, Picador, 1984.
  • Johann Wolfgang von Goethe, Schriften – Vierter Band, Georg Joachim Göschen, 1787.
  • Stephen Jay Gould, Eight Little Piggies – Reflections in natural history, Penguin Books, 1994.
  • Joop Groenendijk en Rens Strijbos, Libellen-serie 1934-1940 – uitgegeven door Bosch & Keuning te Baarn – Catalogus van de volledige collectie van Joop Groenendijk te Eerbeek, 2002 (pdf).
Geraardsbergen, 13 juli 2014.
Laatst aangepast op 13 juli 2014.